Bij onze buurman, die overdag nooit thuis is, liep ineens een jongetje van een jaar of vier op de oprit. Ik zag het toevallig, omdat een grote struik, die normaal het uitzicht belemmert, nogal rigoureus door Doede gesnoeid was.
Hij verdween met gezwinde pas achter het huis. Buurman heeft een grote diepe vijver in de achtertuin, dus ik hield in de gaten of hij weer terug kwam lopen. Dat deed hij. Daarna liep hij ons huis voorbij en ging naar onze andere buren. Ook zomaar langs het huis en hup weg was hij. Onze schilder, die aan de zijkant van ons huis op de ladder stond om de slaapkamerramen te doen, zag hem gaan en zei: ‘Hij maakt gewoon het hek open, zeg. Kijk, ik kan vanaf hier zien, dat hij daar op de trampoline staat te springen’, zei hij, toen ik toch maar eens buiten poolshoogte ging nemen. Het jongetje deed verder niks bijzonders, maar kwam na het springen de tuin uit en wandelde ons erf op. Zonder boe of ba passeerde hij mij en begon de ladder – waarop de schilder nog steeds stond – te beklimmen. ‘Heee, kom jij daar eens gauw af’, zei ik streng. Hij keek me aan en klom gewoon door. ‘Wel allemachtig!’, zei de schilder kwaad, ‘ga eraf, joh, dat is gevaarlijk!’.
Hij gehoorzaamde zwijgend en ging het erf af. Ik liep naar de weg en keek hem na. Een eind verderop ging hij alweer een tuin in. Daar woont een buurman, die twee oude maar wel felle honden in de achtertuin heeft. Gelukkig was buurman in zijn voortuin bezig met wieden. Hij hield het jochie meteen bars tegen toen hij ook daar door wilde lopen.
Ik liep naar hem toe. ‘Ken jij dat ventje soms?’, vroeg buurman aan mij. ‘Nee, maar hij loopt blijkbaar zomaar alle tuinen in en uit’, zei ik. Het jongetje wandelde weer zwijgend weg. ‘Ja, gisteren was hij hier ook al’, zei buurman, ‘ik ben als de dood dat de honden hem pakken als hij het hek openmaakt.’ We schudden onze hoofden maar eens.
De volgende dag zag ik het jongetje verstopt achter de auto van de schilder aan de waterkant zitten. Hij speelde wat met niks. Toen hij Yazou zag, die ik even uitliet, rende hij wild naar haar toe. ‘Ik ga dat hondje even aaien, hoor’, zei hij. Yazou is stokdoof en schrikt nogal van plotseling gedoe, dus zei ik: ‘Nee, doe dat maar niet, ze vindt dat niet zo leuk’. Maar hop, hij zwaaide al over haar kop met zijn handjes. ‘Grrrrrr!!’, zei Yazou geschrokken. ‘Wel verdorie! Ik zei toch, dat je dat niet moet doen’, zei ik boos. Het kind draaide zich om en maakte aanstalten om de openstaande werkbus van de schilder in te klimmen.
‘Kom daar meteen uit! Dat mag je niet! Zeg, waar woon jij eigenlijk?’, vroeg ik. ‘Ooooh, dáár ergens’, woof hij vaag. ‘Maar wáár dan precies?’, drong ik aan. Ik ken heel wat dorpelingen en hun nageslacht, maar dit exemplaar was me helemaal vreemd.
Maar hij gaf geen antwoord meer en verdween. Ik wilde hem nog achterna lopen om te zien waar hij thuishoorde, maar toevallig kwam de auto van de TNT aanrijden en er werd mij een pakje aangereikt. Toen ik had getekend voor ontvangst, was het jongetje weg.
Ik vertelde later – toen we koffie dronken – aan de schilder, dat het kind ook al in zijn auto wilde klimmen. ‘Há!’, lachte de schilder, ‘dan weet ik nu ook meteen dat hij het is geweest die snoep uit mijn auto heeft gehaald. Hij stond met bolle wangen daarnet weer onder aan een ladder, hoor. Ik heb hem weg moeten sturen. Volgens mij is dat joch niet helemaal uh….. normaal.’
Nee, dat was mij inmiddels ook wel duidelijk. Ik vond dat het jongetje een wat vreemde blik in zijn lichtblauwe ogen had.
‘s Middags zag ik een onbekende jonge vrouw lopen met twee jongetjes. Een ervan was ‘ons’ jongetje. Ik zette de auto stil en liep naar haar toe. ‘Dag mevrouw, hoort dat jongetje bij u?’, vroeg ik vriendelijk. ‘Ja, die hoort bij mij, het is mijn zoontje. Hoezo?’, vroeg ze wat argwanend. Ik vertelde haar, dat hij allerlei tuinen zomaar in en uit liep, in de auto klom en ook op ladders. En dat dat best heel erg linke soep is, want hij kan toch zomaar verzuipen in diepe vijvers, opgegeten worden door chagrijnige honden of zich te pletter vallen. Ik liet het snoep jatten maar even weg. ‘Oh, doet hij dat? Nou, dat moet niet. Zijn vader moet maar even een stevig gesprek met hem hebben. Dat blijft beter bij hem hangen…’, zei ze luchtig. ‘Nou ja, u weet er nu van, het zou toch vreselijk zijn als er wat met dat kereltje gebeurde’, zei ik geïrriteerd, want moeders die vaders als boemannen opvoeren, die kan ik wel schieten. Wat een flauwekul, zeg. Dat regel je toch even zelf allemaal. ‘Ik neem aan, dat u hem voortaan goed in de gaten houdt?’, vroeg ik nog voor de zekerheid.
Ze knikte wat wazig en ik stapte maar weer in de auto.
Wat zou er nu gebeuren als zo’n mannetje zomaar een achtertuin in loopt en daar gepakt wordt door een hond, die hem als een indringer ziet? Of dat hij in een diepe vijver valt en daar verdrinkt omdat niemand hem hoort roepen? Hoe kun je nu een jong kind, en dan ook nog eentje die ‘niet helemaal goed’ is, zomaar zijn gang laten gaan? Mijn verstand staat er bij stil.